de Webfilosofen

on-line en on-demand denken

Laatst gewijzigd op: 01-08-2006

Ethiek van Aristoteles tot Levinas, in een notedop 

Is het ethisch wel verantwoord, wordt er wel eens gekscherend opgemerkt.

In deze openingszin liggen direct twee belangrijke woorden besloten namenlijk: Ethisch, afkomstig van ethiek en verantwoord. Ethiek is de wetenschap van het zedelijk handelen, het zedelijk handelen wordt ook wel moraal genoemd. Moraal kan dan bijvoorbeeld zijn, je medemens niet vernederen; het milieu niet onnodig vervuilen; respect voor andere levende wezens naast de mens.

Moraal is verbonden met het handelend subject en de sfeer waarin het subject zich bevindt. Er is dan ook geen absolute kwalificatie te verbinden aan een handeling. De wetenschap kan wel een kwalificatie verbinden aan het einddoel van de handeling, namelijk bij monde van de filosofie (de ethiek).

"Een onderzoek over genot en pijn behoort tot het terrein van de "politieke" filosoof. Hij is namelijk de bouwmeester van het doeleinde dat wij voor ogen hebben, wanneer we het ene slecht en het ander goed in absolute zin noemen" (Aristoteles Ethica Nicomachea).

De mens is tot op zekere hoogte vrij in denken en handelen, maar hij is ook verantwoordelijk voor zijn denken en handelen, hij mag in principe niemand benadelen met zijn handelen.
Over die soms moeilijke keuze, van handelen en de consequenties die daaruit volgen, gaat de ethiek.
Hieronder zal ik een aantal filosofen "behandelen" welke zich binnen verschillende stromingen in de ethiek bevinden, toch zal blijken dat ze ook raakvlakken met elkaar hebben en dat ze op elkaar aansluiten, of elkaar zelfs hier en daar overlappen.

Aristoteles 

Een van de eerste filosofen die zich bezig hield met de ethiek, hij is hierboven al reeds aangehaald, was Aristoteles. (384 - 322 v. Chr.)

De ethiek van Aristoteles wordt bepaald door wat hij denkt over telos (doel), entelecheia (intelligentie) en het oikeion (dat wat de soort eigen is). Zij is gericht op eudaimonia, geluk, en dat heeft zij gemeenschappelijk met de antieke ethiek in het algemeen.

De mens zijn handelen is gericht op geluk. Geluk kan je grijpen door goed te handelen. Goed is een deugd en is dat wat passend is, dat wat past tussen te weinig en te veel, het is dus een midden.
Het midden wordt bepaald door de rede, en wel zo als de verstandige mens zou bepalen. Aldus is de deugd een midden, maar in zoverre zij het beste en het uiterste weet te treffen, is zij een uiterste.

Ik wil een tweetal richtingen noemen welke deel uit maken van de hedendaagse ethiek: teleologische ethiek (teleologie leer van het doel) en deontologische ethiek, hier is niet het goede maar het juist handelen het uitgangspunt.

Zoals begrepen kan zijn uit het schrijven hierboven was de ethiek van Aristoteles teleologisch.

Kant

Kant

 De ethiek van Kant was een deontologische ethiek ingegeven door de categorische imperatief.
Het goede of het juist handelen is relatief, het ligt niet vast en kan in elke andere situatie anders zijn, daarom is het moeilijk te bewijzen wat juist of goed c.q wat onjuist of slecht is.

Een ethicus kan eigenlijk niets anders doen dan zijn bewijsvoering met behulp van de retorica en argumentatie in stelling brengen om de ander te overtuigen. Via discussie kan dan het geheel gepolijst worden zodat de nieuwe theorie voor beide partijen min of meer acceptabel is.

Omdat Immanuel Kant (1724-1804) een belangrijke filosoof was wil ik hieronder een stukje van zijn ethiek vermelden.

"Twee dingen vervullen het gemoed met steeds nieuwe en steeds toenemende bewondering en ontzag, hoe vaker en intenser het nadenken zich erop toelegt: de sterrenhemel boven mij en de morele wet in mij" (Kant)

Kant heeft aldus een grote bewondering en ontzag voor de morele wet in de mens.
Een verschil met Aristoteles is dat er in het denken van Kant een morele wet in de mens is, terwijl het goede en het juiste bij Aristoteles buiten de mens liggen, de mens zijn handelen is gericht op.

Kant volgt hier de voetsporen van Jacques Rousseau (1712 - 1778) die een product van de verlichting was. Rousseau vond dat de mens het beste zijn leven kon leiden in een natuurtoestand, dat wil zeggen dat er onder andere nog geen kunstmatige moraal bestaat. De kunstmatige moraal kan pas gaan ontstaan wanneer er maatschappelijke structuren gaan ontstaan met behulp van onder andere de rede.

De maatschappelijke structuren brengen Rousseau op de idee van Du contrat social, welke inhoudt dat de macht bij het soevereine volk berust. Paradoxaal genoeg vond Rousseau dat de rede de natuurtoestand kon ondermijnen.

Kant gaat aan de slag met de rede, hij zocht de oplossing in een vernieuwde analyse van ons kenvermogen, hij zocht o. a. een fundament voor de ethiek welke door een theorie van Hume en welke door Kant moeilijk kon worden weerlegd, verworpen was.

Kant stelde dat de grond van de zekerheden niet in de ervaring is gelegen of in de oorsprong daarvan, maar in het subject.

Kennis bestaat volgens Kant dan ook uit de synthese van de inhouden van de empirie en de ordeningsvormen van het denken. Deze ordende vormen zijn a-priori bij de mens aanwezig, ze zijn inherent aan ons kenapparaat. Als we willen weten welk soort kennis wij van de werkelijkheid kunnen verkrijgen, dan moeten we de vormen bestuderen waarover ons kenapparaat beschikt.
Kant vroeg zich af of de zuivere rede mogelijk was, dus een rede zonder zintuiglijke ervaring. Zoals er vormen voor het kennen zijn, zo is er volgens Kant ook een vorm voor het handelen, namelijk de plicht of de categorische imperatief (Kritik der praktischen Vernunft).

De categorische imperatief houdt dan volgens Kant in: "Handel steeds zo dat de regel die uw handelen leidt, een voor iedereen bindende wet zou kunnen worden" en "gebruik in uw handelen de medemens nooit als louter middel, maar erken hem steeds als iemand die zijn eigen doel is"

Kant stelde de grond van de zekerheden dus ook van de ethiek is gelegen in het subject. Vanuit die zekerheden gaat de mens handelen, het handelend subject.
Het subject kan kiezen, handelen, maar draagt daarvoor wel zijn verantwoordelijkheid. Het moge dan ook duidelijk zijn, dat moraal een subjectief begrip is.
De ethicus handelt en kiest, kortom leeft van binnen uit, dit in tegenstelling tot de estheticus welke het geluk buiten zichzelf zoekt.

KiekegaardKierkegaard

Een filosoof welke zich met het verschil tussen ethica en esthetica heeft bezig gehouden was Kierkegaard. (1813 - 1855)

Ook hij ging ervan uit dat het moreel goede gekozen moet worden. De mens is verantwoordelijk tegenover zichzelf en de ander. De waarheid is subjectief en niets anders dan een keuze.

Kierkegaard zocht naar ‘het evenwicht tussen het esthetische en het ethische in de uitwerking van de persoonlijkheid'.

Een kantiaanse gedachte zou dan kunnen zijn: onderscheid tussen zintuiglijke neigingen en de gebiedende eisen van de rede. Kenmerkend voor de mens die esthetisch leeft is dat hij de neiging heeft voor het moment te leven, voor datgene wat het voorbijgaande ogenblik oplevert aan vermaak, opwinding en interessante dingen. Zijn leven verandert van richting in overeenstemming met zijn stemmingen en omstandigheden. Hij ondergaat in wezen wat hem ‘overkomt' dat laat hij bepalend zijn voor zijn gedrag en bestaan.

Nu beseft hij dat zo'n bestaan wankel is en vertwijfeling steekt de kop op.
Die vertwijfeling doet hem beseffen dat er een hogere vorm van leven is die een meer stabielere basis van zijn bestaan kan geven, hier bevindt hij zich dan op de grens van esthetiek en ethiek. Toch kan hij vaak die stap naar de hogere levensvorm niet maken, door ‘vluchtgedrag' ontwijkt hij de meer ethisch gerichte levenswijze.

Kierkegaard betwijfelde de gedachte a la Hegel van een dialectische wisselwerking tussen het kennen en de wil, in die redenering kan een overstap van een esthetisch gerichte levenswijze naar een meer ethische vergemakkelijkt worden. De overgang van de ene vorm van existeren naar de andere vorm kon volgens Kierkegaard alleen bereikt worden door een vrijwillige en onherleidbare persoonlijke keuze tussen alternatieven.

Omdat er een keuze gemaakt wordt rust er ook een verantwoording op de schouders van het subject.
Het ethische subject is in de idee van Kierkegaard iemand die zichzelf als ‘doel' beschouwt, als een opgedragen taak. Hij is in zeker opzicht bewust en weloverwogen in staat verantwoordelijkheid te nemen voor zichzelf.

De lezer zal nu ongetwijfeld doorzien dat Kierkegaard hier enige affiniteit met Kant heeft, namelijk het autonome zelfbesturende wezen. Toch mag de keuze c.q. de handeling van het ethisch subject de ander niet schaden, er moet dan ook gezocht worden naar ‘goed', ‘kwaad' en ‘plicht'.
Het goede, kwade en de plicht dat kan dan door gezamenlijke keuze, interpersoonlijke keuze bepaald worden, zie hier de raakvlakken met Rousseau en licht met Aristoteles. De ethicus identificeert zich met maatschappelijk afgesproken universele wetten, sterker zijn karakter is er mee doordrongen, het buitenste is het binnenste geworden.

Zo bezien is het probleem van de eerder genoemde ‘overstap' overwonnen en is er evenwicht tussen het esthetische en het ethische in de uitwerking van de persoonlijkheid.

Hierboven werd de ander genoemd, een filosoof die zich vooral bezig hield met de ander was Levinas. (1905 -1995)

Het individu is in wezen een egocentrisch fenomeen, hij staat in het middelpunt van "zijn" wereld. Elke ontmoeting met de Ander is een inbreuk in zijn leefwereld, maar ook een oproep. Een oproep tot binnentreden in de wereld van de Ander, zodat ook het egoïsme van het individu verlaten kan worden.

De westerse wijsbegeerte kent de Ander niet, zij onderdrukt het anders-zijn en brengt dit terug tot wat voor het ik bekend is. Zo bezien is de Ander gelijk aan de ik, terwijl hij juist anders is, ofwel de Ander wordt in bezit genomen. Levinas noemt dit uitbuiting, geweld en oorlog.
Het verschijnen van de ander is tevens een ethisch gebeuren, omdat men voor de ander verantwoordelijk is.

In zijn hoofdwerk ‘Totalité et l'infini' werkt hij zijn inzicht: "Pas in de ontmoeting met de Ander kunnen we het bestaan als rechtvaardig ervaren" uit.

Veelal wordt in de westerse wijsbegeerte gestreefd naar totaliteit en daarmee ook naar een totale moraal, het individu dreigt dan een moment van de ‘algemene wil' te worden. Het oneindige, ofwel de Ander kan de totaliteit verbreken.

De raakvlakken van het subject met de Ander zijn van een oneindige orde, er ontstaat nu een verhouding tussen ‘het zelf' en ‘het andere'.

De Ander raakt een dimensie in het bestaan van het subject die dieper ligt dan het autonome bewustzijn en roept daarmee een verantwoordelijkheid op die het subject niet zelf kan begrenzen, een spoor van de Oneindige.

De Ander tot slot is niet slechts een partner maar in de gestalte van de vervolgde vooral een instantie van kritiek.

"Hij brengt iets absoluut nieuws tot stand, iets dat ik niet uit mijzelf kan putten; hij sticht mij als moreel wezen"

Zo bezien is de verhouding van het ‘ik' en de Ander primair een ethische verhouding.

Waardering 

Geplaatst door: Tino van Kampen | 2006-08-01 00:00:00

Reacties

Reactie plaatsen

Hans 21-02-2008

Een zeer beknopte en matige beschrijving van deze filosofen. Jammer....

Tino van Kampen 21-02-2008

Met beknopt ben ik het eens Hans, vandaar het woord notedop.
Maar wat vind jij er matig aan?
Ik hoop op een reactie en dat het niet blijft bij een losse flodder als reactie.

Demy 20-04-2010

Wat is dit voor kk shit nou weer. Niet je praat over lekkere sex. 

Reactie plaatsen

afdrukkenDeze pagina afdrukken

Deze site is auteursrechtelijk beschermd, op dit werk is de Naamsvermelding-NietCommercieel-GeenAfgeleideWerken 2.5 Nederland licentie van Creative Commonsvan toepassing, tenzij anders vermeld.

Overzicht van alle RSS/Atom feeds van De Webfilosofen. Privacy polices en cookie beleid voor deze website

Deze website is geproduceerd door Markei WEBDISGN.