on-line en on-demand denken
Laatst gewijzigd op: 01-08-2006
In de serie Wat is: Kunst, Filosofie, Geluk, Waarheid, de Mens, Zijnen Tijd
In de serie "wat is"-vragen werden door Leon Hoeneveld eerder de vragen wat is kunst?; wat is filosofie?; wat is geluk? en wat is zijn? bekeken. Hiertoe werden de methodes uit het boek "Denkgereedschap" van Paul Wouters gebruikt, aangevuld met nog enkele zelfverzonnen methodes. Als nieuwe vraag van de "wat is"-vragen nu de vraag: Wat is de mens?
Ik zal hier een aantal analyses loslaten op de vraag en daarmee proberen een soort totaalbeeld te scheppen. Het uiteindelijke antwoord kan slechts een persoonlijk antwoord zijn, maar dan is wel duidelijk welke alternatieven er zoal zijn. Verwacht geen eenduidig antwoord op de vraag. Zoveel zielen, zoveel meningen. Zie de alternatieven vooral als gedachten-experimenten. U hoeft het niet eens te zijn met de invulling die ik er aan geef. Het gaat mij om het laten zien van diversiteit bij beantwoorden van vragen.
Met behulp van de denkgereedschappen uit het boek van Paul Wouters is een poging gedaan tot een overzicht. Dit betekent dat een aantal vaste stappen tot behandeling van de vraag zijn gevolgd en de conclusies zijn dan zonder verdere reflectie weergegeven. Slechts in de door mij als laatste toegevoegde methode komen alle conclusies bij elkaar en wordt een persoonlijke afweging gemaakt.De lijn in de wat is-vragen is de volgende: Kunst is een uitdrukking van de mens. Volgens sommige theorieën gaat het om een expressie van emoties of van een idee. Als beginpunt voor het vragenstellen is kunst erg geschikt omdat er zoveel voorbeelden van te vinden zijn. De methodes krijgen dan een breed toetsingskader. Aangezien de expressie van een gevoel of idee vragen om een interpretatie kom je dan uit bij de filosofie. De filosofie is meer dan alleen uitleggen of verhalen vertellen. De verschillende methodes kunnen laten zien wat voor vormen filosofie kent. Het blijkt wel dat de filosofie een menselijke activiteit is met verschillende soorten motivatie. Vanuit het denken van Aristoteles werd al aangegeven dat de motivatie van de mens vooral gericht is op geluk. Daarom is de vraag naar geluk een goed vervolg op de vraag naar filosofie. Maar kunnen we dan na een analyse van geluk nog verder? We komen dan logischerwijs bij de ontologische vraag, de vraag naar het zijn. Geluk moet iets zijn dat er kan zijn, anders heeft een zoektocht naar geluk geen zin. Maar zelfs als we de vraag naar het zijn behandelt hebben, blijft op de achtergrond de vraag naar de mens open. Het is kunst van, filosofie van, geluk van de mens.
De eerste methode begint met het inventariseren van verschijnselen. Voor de mens krijg je dan bijvoorbeeld de volgende opsomming:
Het gaat om een levend wezen in allerlei soorten en maten, tweeslachtig. Het wezen beheerst techniek en gereedschappen, heeft een grote impact op de omgeving. De mens is een sociaal dier, dat voornamelijk op het land leeft, zich beweegt over de gehele aarde (en zelfs daarbuiten). De mens leeft zowel in vrede als in oorlog. Vrouwen baren kinderen (zoogdier), de baby blijft lang hulpeloos, maar verwerft wel bewustzijn. De mens kent ziekte en dood, is omnivoor, hanteert verschillende talen en schriften en kent het concept van de ziel. De mens is soms speels, dierlijk, dan weer geestelijk en afstandelijk. Kenmerkend is de fantasie. Indachtig de uitdrukking "niets menselijks is hem vreemd" denken we aan alles tussen onschuld en wreedheid.
We gaan dan proberen overeenkomsten en verschillen te zoeken. We vinden dan dat de mens een dierlijk (niet plantachtig) wezen is. Toch weten we dat het de genen deelt met alle reproducerende levensvormen. Het onderscheidende aan de mens is het bewustzijn, maar dat kan niet los gedacht worden van het gebruik van taal en schrift. Vooral bijzonder is het bewustzijnsconcept van de ziel.
Het wezen van de zaak kan worden samengevat door de stellingen dat het levende van de mens in de reproductie van genen zit en het bijzondere van de mens in het bewustzijn door het gebruik van taal en schrift zit.
Levend en bewust. Dat zijn de kernwoorden voor deze methode. Het diepere inzicht is dat leven met reproduceren te maken heeft en bewustzijn met taal en schrift. Met het begrip "levend" kunnen in ieder geval allerlei soorten gedrag herleid worden. De aanvulling "bewust" maakt dat die handelingen allerlei invullingen krijgen.
In de methode die ontleent is aan het denken van Kant zoeken we na enige reflectie over de vraag naar de veronderstellingen. Zou er wel zoiets zijn als DE mens? Kan er iets algemeens of universeels gezegd worden over mensen?
Het cruciale concept is hier dat de veranderlijkheid van de mens beperkt moet zijn. Er moet iets herhalend, zelfbevestigend zijn. Dat is een noodzakelijke voorwaarde voor iets om een definitie te kunnen krijgen, of te kunnen bestaan.
De herformulering van de vraag naar de mens is dus wat er onveranderlijk is aan de mens. We moeten dan kritisch nadenken en ik kom zelf tot de conclusie dat er uiteindelijk helemaal niets onveranderlijks is aan de mens. Zelfs de dode mens verandert nog. De mens kenmerkt zich door haar veranderlijkheid.
Dat lijkt in tegenspraak met het cruciale concept dat de veranderlijkheid van de mens beperkt moet zijn. De mens kent zeker een herhaling van vorm en voorkomen. Maar niets daarvan is uiteindelijk blijvend.
De aan Hegel ontleende methode, die vooral uitgaat van de dialectiek, vraagt er om de vraag in "beweging" te brengen. De vraag moet worden ingepast in een dynamiek. Nu is de mens een dynamisch wezen dus dat is niet zo moeilijk. Het meest elementair aan een mensenleven is dat de mens van geboorte (leven) naar dood gaat.
We kunnen nu een these kiezen die daar iets mee doet. Ik kies dan voor de volgende these:
De mens kenmerkt zich door het scheppende, dat begint met geboren worden.
De anti-these is direct duidelijk:
De mens kenmerkt zich door het vernietigende, dat resulteert in een sterven.
Er is maar één soort synthese mogelijk, namelijk dat de mens beide is:
De mens is afwisselend scheppend en vernietigend.
Dat betekent dus bijvoorbeeld dat een ethiek nooit slechts gebruik kan maken van het scheppende in de mens, dat altijd het vernietigende mee genomen zal moeten worden in handelingsvoorschriften.
In de methode die ontleend is aan de fenomenologie van Husserl moeten we niet proberen te verklaren. We moeten uitgaan van de ervaringen. Welke ervaringen zijn er?
De mens is hard, zacht, mooi, lelijk, ver, dichtbij. Er zijn er veel of weinig. Je bent alleen of samen.
Vanuit de verschillende gezichtspunten en zintuigen ervaar je de volgende dingen:
Wat is nu het algemene dat je ervaart in het bijzondere? Dat is de aanwezigheid. Omdat we zelf mensen zijn, kan je niet ontsnappen aan die aanwezigheid. De mens is dus een aanwezigheid waar men ervaring mee heeft.
Daar mag je best wat dieper over nadenken.
De methode die ontleent is aan het denken van Wittgenstein probeert de vraag eerst in een taalspel te situeren. In dit geval is het de mens aan zichzelf, maar alternatieve taalspelen zijn denkbaar als tussen biologen, tussen psychologen, tussen economen, tussen filosofen of willekeurig in welke beroepsgroep. Het is duidelijk dat DE mens in al die gevallen anders is, of een ander onderwerp.
Zoals de methode aangeeft zijn er 5 soorten taalhandelingen:
Een adequate respons hoeft niet zozeer universeel juist te zijn, als wel te passen in het taalspel, met het bijbehorende rollenpatroon. In dit geval, de vraag aan jezelf, wordt getracht een algemene eigenschap tot uitdrukking te brengen.
Je kan dan geneigd zijn ook een uitdrukker te gebruiken, maar ik denk dat hier beter past om de binder te gebruiken. De mens is haar eigen maat.
Als we kijken naar de hermeneutiek, zoals Gadamer die voorstond, gaat het om verhalen. Nu zijn er over de mens heel veel verhalen. Uitzonderingen zijn verhalen waarin geen mensen voorkomen. En dan moet je denken aan allegorieën en godenverhalen, die impliciet toch ook weer over mensen gaan.
Typisch aan die verhalen is wel dat het steeds over relaties gaat.
De vraag is nu welke soort verhalen je aanspreken:
Bij verhalen over de mens heb ik eigenlijk geen voorkeur. Als het gaat om relaties komen alle aspecten wel eens aan bod. Wat wel een onderscheid is tussen triviale literatuur en echte literatuur is dat in de literatuur de mensen zich ontwikkelen, ze leren.
De methode vraagt dan om een nieuw verhaal te vertellen.
Dat verhaal gaat dan over de saaiste man ter wereld. Als we die beter leren kennen blijkt dat deze man de meest wilde avonturen beleeft in zijn dromen. De saaiheid die hij laat zien is een langzaam verwerkingsproces van alle indrukken die hij heeft opgedaan tijdens zijn dromen.
In dat verhaal combineer ik de aspecten die voor mij bij verhalen over de mens van belang zijn. De mens als lerend en de mens als dromend. Hoe kan de mens anders lerend en dromend zijn dan door zichzelf vragen te stellen?
In de aan Derrida ontleende methode staat vooral het begrip deconstructie centraal. Het kan best zijn dat Derrida dat veel zakelijker en formeler bedoeld heeft, meer op de taal gericht. Maar de methode heeft ons al eerder een verfrissende kijk opgeleverd.
Eerst moeten we de vraagstelling niet serieus nemen. Het is duidelijk dat we dan kunnen wijzen op het overbodige karakter van de vraag. Aangezien je zelf mens bent.
Als je dan creatief aan de vraag sleutelt, wordt dat zoiets als: Wie is dan de andere mens?
Dan volgen een aantal bewerkingen:
Je ontkent de veronderstellingen: DE mens bestaat niet.
Je plaatst de vraag in vreemde contexten: Aliens aan de andere kant van het heelal, de vraag op een billboard in de sahara, de vraag op een poster in de drank of wapenwinkel.
Je vergroot details uit: Als je inzoomt op de huid of haren herken je niets meer.
Je keert de figuur en grond om: De mens is wat, maar alles is wat.
Je zet de haakjes anders: De mens is levend en heeft bewustzijn, is alles dat leeft en bewustzijn heeft een mens?
Dan blijkt de vraag toch weer problematischer dan gedacht. Na de deconstructie moeten we dan kijken welke herformulering ons wel dienst doet en zin biedt.
Nog steeds blijft de eerste herformulering treffend. Wat is de andere mens?
De vraag is nu hoe deze vraag de aanpak dient op dit moment. Het is duidelijk dat de vraag naar de andere mens gericht is op onderlinge verschillen en een veelheid aan mogelijkheden. De conclusie is dan ook dat de mens mogelijkheden heeft (en dat die onderzocht kunnen worden).
In de door mij zelf ontwikkelde methode, gebaseerd op het pragmatische denken van ondermeer Dewey, ga je eerst na voor welk probleem de vraag een oplossing moet gaan bieden.
Het is duidelijk dat als we de mens kennen, dat we dan ook de behoeften van de mens kennen. En als we de behoeften van de mens kennen, kunnen we proberen daarin te voorzien.
Dat zou sociaal gezien betekenen dat er aan bevrediging van behoeftes gewerkt kan worden. Dat zou echter het volgende kunnen betekenen:
Dat is natuurlijk niet alleen zo als we de behoeften precies kennen, maar een sociaal gegeven.
Het wordt duidelijk dat men over de twee handelwijzes van mening zal verschillen. De reactie zal zijn dat deze meningsverschillen tot conflicten zullen leiden. Een tegenstelling in behoeften zal altijd tot conflict leiden. De mens, zo is dan de voorlopige werkconclusie, kenmerkt zich door conflicten over behoeften.
Je hebt ook de door mij zelf ontwikkelde methode die uitgaat van de gevolgen. De methode is ontwikkeld uit het denken van Heidegger zoals hij dat laat zien in zijn boek over kunst.
Wat zijn mogelijk de gevolgen van een antwoord op de vraag. Nu ga ik niet uit van de wat negatieve conclusie uit de vorige methode, maar kies een positievere insteek. Men zal het onderscheid en de positie van de mens beter kunnen bepalen, hetgeen het gevoel van eigenwaarde kan versterken.
De geherformuleerde vraag is dan ook: Wat kan ons gevoel van eigenwaarde versterken?
Het gevoel van eigenwaarde is belangrijk. We weten dat dit ook ontstaat door prestaties te leveren die van belang zijn voor anderen en onszelf (utilitair).
Als we vanuit dit inzicht antwoord geven op de oorspronkelijke vraag is de mens:
Het wezen dat uit haar eigen prestaties een gevoel van eigenwaarde haalt.
Dit is echter een verbergende en geen lichtende waarheid. We proberen dezelfde methode nog een keer.
Het gevolg: we beperken ons tot prestaties die ons een gevoel van eigen waarde geven. Welke prestaties zijn dat? Hierbij blijken de beoordelingen van de ander en onszelf van belang. De lichtende waarheid is dat we de ander nodig hebben voor de beoordelingen. Dat geldt ook als we alleen naar onze zelfbeoordelingen kijken. Die moeten we ook geleerd hebben van een ander.
De algemene waarheid die dus naar voren komt is dat de mens gericht is op de ander (voor de beoordelingen die het gevoel van eigenwaarde kunnen schenken). Dat de mens de ander nodig heeft.
De conclusie is bij de "wat is"-vragen steeds een eigen methode gebaseerd op het differentiedenken van Deleuze.
Je gaat eerst na hoe de vraag kan verschillen. Dan dringt zich de conclusie op dat binnen de verschillende ervaringen en manifestaties van de mens er verschillende beelden en zelfbeelden zullen ontstaan.
We vonden de volgende antwoorden:
Welk van die verschillende antwoorden zou je nu zelf willen geven?
Ik concludeer puttend uit de verschillende antwoorden:
De mens is er als aanwezigheid. Van de ervaringen leer je, dat schept mogelijkheden. Binnen onze tegengestelde geaardheid en behoeften blijven we de ander hard nodig hebben.
Hoe verschil ik in deze stellingname van anderen? Mijn gevoel van eigenwaarde zit in dit soort analyses. Ik stel me daarbij open voor beoordeling van de ander. Er zijn er genoeg die dat niet doen.
In welke zin heeft mijn antwoord dat zin? Vooral voor mezelf, als de ander erkenning geeft in een beoordeling. Maar ik verwacht dat er pas erkenning volgt als de inhoud bruikbaar is en bij de eigen ervaringen van de ander aansluit.
Het verschil wil ik misschien wel handhaven. Het is mijzelf duidelijk dat ik indirect met de ander bezig ben. Er zijn ook wel directere manieren, misschien zijn die beter. Wie zal het zeggen?
Geplaatst door: Leon Hoeneveld | 2006-08-01 00:01:00
fdsaddad 18-02-2008
dit is STUPID
Leon Hoeneveld 18-02-2008
Binnen de filosofie is het gebruikelijk als je zegt waarom je iets vindt.
Leon Hoeneveld 30-03-2008
Ik heb vele malen gedacht dat het belangrijkste voor de mens de vaardigheden waren. Vaardigheden zijn als het ware eeuwig en tijdloos, leven door als een eeuwige ziel als de lichamelijke mens er niet meer is. Vaardigheden reincarneren, waardoor ook de geest herschapen wordt die in het toepassen van die vaardigheden kan ontstaan.
Maar het unieke van de individuele mens, met zijn of haar persoonelijk verhaal, is niet van welke vaardigehden zij precies drager was, maar juist waar de mens faalt om vaardig te zijn.
Ik kom tot de volgende conclusie: het belangrijkste voor de mens is niet het ontwikkelen of toepassen van vaardigheden, maar het verwerven van een faalbesef.
Hiermee bedoel ik niet dat de mens faalangstig moet zijn, dat de faalangst het mens-zijn bepaalt. Ik bedoel dat de mens juist in het hebben van een faalbesef uniek is. Dit faalbesef is heel tijdelijk, heel vluchtig, heel specifiek en daardoor precies dat unieke dat de mens anders maakt dan slechts een drager van vaardigheden te zijn. Juist die specifieke momenten waarin de mens faalt en zich dat beseft geven inhoud aan wat het is om mens te zijn.
De mens is dus het wezen met faalbesef. Ik heb gefaald als iemand mijn schrijven "stupid" noemt.
Tino 02-11-2008
Men mag ook de mens niet los zien van zijn plek.
Op de "juiste" plek is de mens op waardevolst.
Dit zou dan in kunnen houden dat, in ruimere zin, als hij is, in de wereld, hij uberhaupt daar is waar hij wezen moet. (dit keer echt moeten). Zo bezien is de mens "altijd"op zijn waardevolst. Ieder mens is ansich waardevol in het Zijn.
Rembert 19-11-2008
Wat is de mens
Volgens mij is dit geen goede vraag.
Ten eerste: “de mens” is een voorstelling. De zin van het “wat” antwoord hangt direct af van de toereikendheid van deze voorstelling. De vraag zou dus eerder moeten zijn: hoe bouw ik een toereikende voorstelling op van de mens?
Ten tweede: Ik stel een “wat” vraag eigenlijk alleen als ik veronderstel dat het antwoord al klaar ligt. Ik hoop door deze vraag een algemene voorstelling te krijgen van iets dat mij nog onbekend is. Het antwoord is voor mij echter alleen zinvol als het voorstellingen betreft die mij wel bekend zijn. Een zinvol antwoord op de vraag “wat is de mens” moet dus een antwoord zijn uit elementen die ons al bekent zijn. Moeten we daarom niet eerst nagaan met welke elementen van het menszijn we bekent moeten raken, voordat we deze elementen in hun onderlinge samenhang als “wat” antwoord samenvatten?
R Amons
Leon Hoeneveld 19-11-2008
Inderdaad hebben we te maken met een voorstelling. De verkenning van de vraag wat de mens is, zou op die manier zeker uitkomen op de vraag hoe je een toereikende voorstelling kan opbouwen. Ik vermoed dat je hierbij denkt aan Schopenhauer en dat 'toereikend' in dit geval het ontsnappen aan de eeuwige Wil betreft?
In dit artikel wordt de vraag verkend. De vraag wat de mens is wordt ook wel aan de filosofie van Immanuel Kant wordt toegeschreven als "filosofische vraag".
Bij een verkenning komen we inderdaad langs reeds bekende standpunten of antwoorden en het is niet de bedoeling een definitieve conclusie te geven. Slechts een persoonlijke conclusie.
Als we uitgaan van een voorstelling, dan is het "benoemen" van belang. Dat wat ons voor komt (in voorstelling) wordt benoemd. Dat kan op velerlei wijzen. In de praktijk zal het waarschijnlijk het beste uitwerken als men een benoeming kiest die anderen ook hanteren, zodat enige communicatie (over de wil) mogelijk is. Dat wil zeggen dat als we iets als mens benoemen, dan kan dat aansluiten bij wat de ander aan voorstelling heeft en gelijk benoemt.
Hierbij is eigenlijk niet van belang wat de inhoud is van het begrip waarmee iets benoemd wordt, maar van belang is dat er overeenkomsten zijn, zodanig dat communicatie en dialoog mogelijk zijn. De mens is dan niet zozeer een voorstelling als wel een benoeming. Een taalkundig "etiket". Willen we weten hoe die praktijk "toereikend" kan zijn, dan kunnen we kijken of er zinvolle communicatie mogelijk is tussen veel verschillende mensen met het gegeven begrip. In principe kan dit in twijfel getrokken worden voor zulk soort algemene begrippen als "mens".
Deze site is auteursrechtelijk beschermd, op dit werk is de Naamsvermelding-NietCommercieel-GeenAfgeleideWerken 2.5 Nederland licentie van Creative Commonsvan toepassing, tenzij anders vermeld.
Overzicht van alle RSS/Atom feeds van De Webfilosofen. Privacy polices en cookie beleid voor deze website
Deze website is geproduceerd door Markei WEBDISGN.