de Webfilosofen

on-line en on-demand denken

Laatst gewijzigd op: 25-10-2007

De uitvinding van het schrift: oog om oor[1]

1. Het schrift en de scheiding der zintuigen.

Plato's fundamentele kritiek op het ‘schrift' was dat door de externalisering van het gesproken woord in materiele tekens het levende communicatieproces onherstelbaar verstoord zou worden. Het omgekeerde proces - terug van het geschreven woord naar het gesproken woord - zou daarom niet anders dan de gestalte van een analogie kunnen aannemen, waardoor het oorspronkelijk bedoelde, dat waarnaar gerefereerd werd, voorgoed uit het oog verloren zou zijn. Was Plato een ‘visionair' die de gevolgen inzag van een zich in eenzijdigheid verliezende cultuur? Een eenzijdigheid omdat de zichtbare tekens in de ruimte - het schrift - het primaat werd toegekend boven de onzichtbare tekens in de tijd van het gesproken woord? Immers, door deze verheviging en verwijding van de visuele functie vermindert het schrift in elk geletterde samenleving het aandeel van de andere zintuigen, die horen, voelen en proeven. Met andere woorden, de schrift betekent macht, autoriteit en beheersing. Bovendien, het geschreven woord legt enkel spellend uiteen wat het gesproken woord snel en impliciet bevat. Terwijl als we spreken, dan reageren we als vanzelf op dat moment in toon en gebaar op ons eigen spreken. Kortom, het schrijven is al gauw een afzonderlijke, specialistische handeling die weinig mogelijkheden biedt om direct, of totaal te reageren, waardoor op zijn beurt ook de lezer alleen wordt gelaten. Het is kenmerkend voor de geletterde mens die een ontzagwekkend vermogen heeft ontwikkeld in elke situatie te handelen met grote distantie van de gevoelens of de emotionele geïnvolveerdheid.[2]

Desondanks meent Paul Ricoeur dat deze wat hij noemt ‘unilaterale apolegetiek van de dialoog' over het hoofd zou zien dat dit verlies van oorspronkelijkheid van het gesproken woord juist nieuwe mogelijkheden opent als het ter schrift wordt gesteld.[3] Want wanneer het gesproken woord schrift is geworden en de tekst zich losmaakt van de concrete redenaar en vervolgens ook van de auteur en de context, dan zou een tekst zich namelijk openen voor een veelheid aan mogelijke interpretaties. Maar precies dat zag Plato als een in gang zetten van een algehele relativering van het levende woord, waar zogezegd de tekst een loopje mee zou nemen. Het zou de mens doen verdwalen in een doolhof van abstractie, een labyrinth, van waaruit hij nooit meer de weg terug zou vinden naar het leven zelf. En bovenal zou de ziel daarmee het vermogen verliezen zich te kunnen ‘herinneren' wat voorbij de zintuiglijke wereld gegeven is. Of de uitvinding van het schrift onbetwist een vooruitgang betekent, dat valt daarom te betwijfelen.

Hoe dan ook, Plato's kritiek heeft niet kunnen voorkomen dat de uitvinding en invoering van het fonetisch schrift in de westerse wereld thans een gegeven is. Een die gepaard gaat, zo beweert McLuhan, met de scheiding tussen de auditieve en visuele beleving, die zijn gebruiker een oog voor een oor geeft en hem daarmee bevrijdt uit het web van verwantschap en ‘echo�nde woordmagie' die de mens, dus nog voor het schrift, in de stam gevangen hield.[4] De uitvinding en invoering van het schrift was daarom enerzijds weliswaar een bevrijding om een geciviliseerd individu te kunnen worden, een visueel georganiseerd man, maar het fonetische alfabet dat als technologie enig in zijn soort was en in cultureel opzicht een rijkere schriftvorm dan bijvoorbeeld het pictografische of syllabische schrift, dat alfabet bood de mens evenwel weinig hulp bij de plotselinge overgang van de magisch discontinue en traditionele wereld van het stam-woord naar het koele en uniforme visuele medium, zo stelt McLuhan. Kort gezegd: in het westerse fonetisch alfabet moeten de letters, die zonder semantische betekenis zijn, corresponderen met klanken die eveneens zonder semantische betekenis zijn.

2.De problematiek van de verwijzing en de eenzijdigheid van het westers denken.

De vraag die vele filosofen daarom stellen is hoe een tekst zich uiteindelijk verhoudt tot datgene waar het naar verwijst. Een vraag die volgens McLuhan niet los gezien kan worden van de vraag naar de sociaal-culturele betekenis van het schrift. Want dat de uitvinding en het vervolgens in de praktijk invoeren van het schrift vergaande consequenties heeft gehad, en nog heeft, is evident. Ook Derrida beweert dat het uiterst problematisch met taal en vertalen is gesteld en haar functioneren in een cultuur. Want, wat is het buiten waar de tekst naar verwijst - een vermeende niet-talige werkelijkheid die haar betekenisvolle ondergrond zou vormen - als dat buiten zelf buiten het bereik van de taal zelf blijft?[5] Bovendien, de veelsoortigheid van taalidiomen roept niet alleen beperkingen op in het vinden van de ‘juiste' vertaling, een ‘transparent and adequate interexpression', ook elke individuele taal zelf is ook nog eens gebonden aan een abstracte interne logica.

Maar ondanks dat de observaties van Mc Luhan hetzelfde vaststellen als Derrida, McLuhan blijft tegelijkertijd de sociale en culturele dynamiek van het schrift benadrukken, waardoor hij de andere zintuigen, horen, voelen en proeven niet uit het oog verliest. Hij maakt daarom een onderscheid tussen de verschillende schriftvormen die elk op hun eigen specifieke wijze op de cultuur zouden inwerken. Het feit dat in andere culturen een niet-fonetisch schrift wordt gebruikt, zou volgens McLuhan daarom die culturen in staat stellen een rijke voorraad te bewaren aan inclusieve waarneming in de diepte van ervaring, omdat het ideogram, het grafische teken dat iets symbolisereert in deze taal en de taal zelf constitueert, een inclusieve Gestalt zou zijn. En daarmee geen analytische ontbinding van zintuigen en functies zoals het fonetische schrift. Om deze reden zouden ‘zintuiglijk opgeslagen waarnemingen' in geciviliseerde culturen met fonetisch alfabet dreigen te worden uitgeroeid.

Deze bedreiging van de zintuiglijke waarnemingen zou kunnen verwijzen naar wat Derrida als de eenzijdigheid van het westers denken beschouwt. Het hele westerse denken, zo beweert hij, en dat impliceert reeds het primaat van het denken t.o.v. de zintuigen, zou voornamelijk op een paradigmatisch aambeeld hameren, namelijk dat de waarheid geestelijk van aard is. Precies om die reden zou de waarheid toegankelijk zijn voor de menselijke geest.[6] Niettemin, en dat lijkt in het westers denken om niet te zeggen in de westerse filosofie te worden veronachtzaamd, de (zintuiglijke) waarneming zondermeer is altijd direct/onbemiddeld en gaat zelfs in tijdsorde aan het denken vooraf. Het is bovendien de zelfwaarneming van het denken die haar eerst bewust doet worden van haar ‘eigen' activiteit. De westerse mens daarentegen weet zich onderworpen aan een eenzijdige lineaire structurering van het rationele leven door het fonetisch alfabet. Hierdoor is hij geïnvolveerd in een aaneenschakeling van consequenties, van waaruit vervolgens het menselijke bewustzijn wordt verklaard. Bewustzijn, zo stelt McLuhan, is echter geen verbaal proces. En hoewel bewustzijn als typisch voor een redelijk wezen wordt beschouwd, is er volgens McLuhan ‘geen enkel moment van lineariteit of opeenvolging te vinden in het omvattende veld van inzicht dat met eender welk moment van bewustzijn gegeven is'.[7] En toch zouden we alle eeuwen van fonetische geletterheid lang de voorkeur hebben gegeven aan de keten van gevolgtrekkingen, en die hebben gezien als het kenmerk van logisch en rationeel denken. Men zou, zo beweert McLuhan, kunnen staven dat alleen het westers fonetische alfabet de technologie vormt die nodig was om de ‘geciviliseerde mens' te vormen, wat wil zeggen dat ieder afzonderlijk individu gelijk is voor een geschreven wetscode. De boodschap van het alfabet wordt daarom dan ook door ongeletterde culturen ondergaan als de macht om patronen van visuele uniformiteit en continuïteit te verwijden.

3. Van de schrift en haar sociaal-culturele uitwerking tot de ‘herintegratie' van de zintuigen.

Stellen we opnieuw de vraag: wat is het ‘wezen' van een tekst? Wat onthult zich door middel van een tekst aan ons? Want, zijn wij niet eerst pas in staat te begrijpen wat een tekst ons wil vertellen als we ons niet verliezen in het eenzijdige visuele, maar als het ware proberen doorheen de tekst te ‘horen', te ervaren wat de sociale en culturele implicaties zijn? Als we ons bezinnen op het vermogen van het ‘medium' schrift, dan zouden we in staat zijn de aard van dit vermogen te ontdekken: al het leven dat het aanraakt nieuwe gestalte te geven, aldus McLuhan. Media beschouwt hij dan ook als verwijdingen, ‘extentions' van onze zintuigen die nieuwe proporties scheppen, niet alleen tussen onze particuliere zintuigen, maar ook onder elkaar, als zij interactie hebben onder elkaar.[8] Zo zou ook de electronische technologie een extention van onze zintuigen zijn, die zelf weer zou voortvloeien uit de ontwikkeling van het schrift. De sociale en culturele implicaties van de electronische technologie zijn wereldomvattend en niet in de laatste plaats om dat zij ingrijpt in wat oorspronkelijk door Plato was uitgewerkt als een classificerend taalsysteem, waarmee McLuhan bedoelt: in het electronische tijdperk maakt het classificeren van gegevens plaats voor het onderzoek naar patronen.[9] De vraag is dan wat dit uiteindelijk zal betekenen voor de taal? Want houdt de computer nog immer de technologische belofte in van universeel begrip en universele eenheid, zoals McLuhan beweert? De eerst volgende logische stap zou dan zijn de afzonderlijke talen niet meer vertalen, maar met een omtrekkende beweging achter zich te laten om te komen tot een algemeen kosmisch bewustzijn.

Wat McLuhan reeds in de jaren zestig van de vorige eeuw bespeurde - de uiteindelijke verwijding van het bewustzijnsproces op wereldschaal d.m.v. de electriciteit, en dit alles zonder verwoording, zou de herintegratie van de zintuigen kunnen betekenen. Zo zou de wetenschap die zich aan het visuele oriënteert opnieuw in balans gebracht (kunnen) worden ten opzichte van de andere zintuigen, omdat door de globalisering van de electriciteit ook orale culturen uiteindelijk opgenomen worden.[10] Zo lijkt ook Ricoeur een exponent te zijn van deze zich manifesterende werkelijkheid waarin opnieuw de waarde van het magische discontinue stam-woord lijkt te worden herkend: de poëzie. Met dit verschil dat de poëzie zich geëmancipeerd weet van een pre-talige stammencultuur en in dat opzicht wellicht de taal van de individuele mythe genoemd zou mogen worden. Alleen al daarom mag hier niet zondermeer gesteld worden dat wat Ricoeur verstaat onder poëzie overeenkomt met wat eens in de pre-talige cultuur werd beleefd als het geluk van de eenwording in het collectieve onbewuste.[11] Maar richt Ricoeur zich ook op een ‘herintegratie van de zintuigen'?

Poëzie als tekst is volgens Ricoeur een opschorting van de dominante descriptieve functie die het wetenschappelijk denken kenmerkt, wat de facto een verwijzen naar een second-order referent, een object betekent. Poëzie voegt daarom als zodanig niets aan onze kennis van objecten toe. Niettemin gaat het poëtische discours weldegelijk ook over ‘de wereld', in de zin van dat het één van de vele wijzen is waarop wij tot de wereld behoren. Het poëtische discours gaat daarom, zo meent Ricoeur, vooraf aan het onszelf als ‘subject' tegenover een ‘object' plaatsen. Het verwoordt daarmee een kritiek op de dominantie van de descriptieve wetenschappelijke benadering van de wereld en haar onkritische concepten van adequatie en verificatie. De verwijzende functie van poëzie zou daarentegen een dimensie openen van openbaring in een niet-religieus, niet-theïstisch, niet-bijbelse betekenis van het woord, waarmee het precies datgene zou benaderen wat in de bijbel bedoeld zou kunnen worden met openbaring, aldus Ricoeur.

Kortom, de poëzie onderscheidt een ander concept van waarheid. Een waarheid, zo zouden we vanuit Ricoeur's redenering kunnen concluderen, die een niet-zintuiglijk karakter draagt, omdat het denken zich niet noodzakelijk zoals Kant meende, naar de objecten buigt. Maar is het daarom een lege waarheid? Nee dus. Maar de volgende stap in het bepalen van wat deze waarheid is, is daarom cruciaal omdat zij door het wetenschappelijk denken, een denken dat objectiveert, tot een subjectieve waarheid wordt bestempeld. En dat is niet terecht. Het opschorten van de wetenschappelijke benadering schept eerst ruimte zodat zich ‘iets' kan manifesteren wat zich als waarheid laat vaststellen. Het opent bovendien een nondescriptieve verwijzing naar de wereld. Oftewel, het zet de eerste schreden voor een herstel van de relatie met de (zintuiglijke)wereld waartoe we ook behoren, een herintegratie van de zintuigen.

De strijd richt zich daarmee tegen Kants opvatting van wat hij beschouwde als de ‘transcendentale illusie': iets wat zich niet tot een ‘object' laat herleiden wordt tot speculatie, waarmee het haar validiteit verliest. De mogelijkheidsvoorwaarden voor kennis kunnen daarom voor Kant alleen in het transcendentale subject worden verankerd. Maar is deze subjectiviteit, zoals Heidegger meende, niet naar analogie van het goddelijk subject begrepen, met als gevolg een stelselmatige blindheid voor de eigen zijnswijze van het eindige subject?[12] En wordt het transcendentale subject ook niet stelselmatig ondergraven in de beweging van het luisteren naar een aan het subject voorafgaande waarheid, waar ook Ricoeur op doelt, waardoor het haar autonomie, haar wil tot heersen los moet laten? Eerst dan pas zouden we in staat zijn tot luisteren zondermeer, wat de totale betrokkenheid van alle zintuigen impliceert waarin het subject zichzelf vergeet. Anders gezegd: het beoogt de opheffing van het radicaal dualisme dat de zintuigen onderwerpt, opdat het subject op platoonse wijze zich ‘herinnert' als onsterfelijke ziel. De overwinning van het eenzijdig platonisme! Uiteraard klinkt dit hoopvol, en is het een ietwat te snelle denkbeweging die een verdere doordenking vereist.

4. Conclusie

Niettmin, wat volgt hieruit? De nadruk komt te liggen op de mens zelf en hoe deze zichelf door middel van een tekst begrijpt, hetgeen, zo liet McLuhan ons zien, direct verband houdt met het ‘begrijpen' van de wereld en het handelend ‘inbreken' in de wereld. De lezer is immers diegene die de tekst vooraleerst in de zinnelijke wereld ontmoet als een empirisch feit. Een tekst is een zichtbaar teken in de ruimte. Vervolgens neemt hij de tekst via de zintuigen in zich op. Begrijpen in de betekenis van ‘begrip ergens van hebben' duidt dan ook volgens McLuhan op een proces waarin iets gepakt wordt door middel van iets anders, op het tegelijkertijd vatten van vele facetten met meer dan een zintuig.[13] Dit inzicht is cruciaal, want dan kan de ‘ontmoeting' met een tekst, zogezegd ook als een handelend ‘inbreken' in de zintuiglijke beleving van de desbetreffende persoon worden beschouwd die de tekst ter hande krijgt. Bovendien omdat taal niet voor zichzelf bestaat, en dus deel uitmaakt van een bepaalde universele wijze van beschouwen van de wereld, en daarmee deel uitmaakt van de wereld als een geheel, zo heeft ook een tekst een universele uitwerking op de mens in zoverre hij deze in eerste instantie noodzakelijk via de zintuigen waarneemt. In die zin kunnen we het met Ricoeur eens zijn, dat een tekst op een bepaalde wijze aan het leven vooraf kan gaan, en dat dan vervolgens deze bijvoorbeeld een handleiding zou kunnen bieden voor diegene die zich er door laat aanspreken. Maar dat ‘zich laten aanspreken' is dan wel wezenlijk, zodat de tekst niet in een gesloten dialoog met een onbekende auteur zou blijven steken. Met andere woorden, dus ook daadwerkelijk terugkeert naar het zintuiglijke leven. Het is ook de reden dat Ricoeur de tekst centraal stelt, zodat er niet een in zichzelf gesloten dialoog tussen personen kan ontstaan die de mogelijkheid van multidimensionaliteit verloren laat gaan. Maar, dat hangt dus af hoe er met een tekst wordt omgegaan. Want ligt deze multidimensionaliteit - kosmisch, ethisch en politiek - niet uiteindelijk in de mens zelf besloten? En is het niet dat in het ‘in de praktijk omzetten' van wat een lezer zich door een tekst realiseert, dat tevens de zogenoemde ‘schematische grenservaringen' van multidimensionaliteit die in een tekst op analoge wijze tot uitdrukking worden gebracht, zich tot een ‘levende' realiteit transformeren? Het daarmee zogezegd tot in de oneindigheid verleggen waardoor ze zelf gaan ‘behoren' tot de oneindigheid zelf? Nogmaals, teksten zijn tekens in de ruimte, de ruimte die zelf oneindig is. Wellicht is de wirkungsgeschichte van een tekst ook tot in de oneindigheid gegeven.

[1] De titel is ontleent aan een hoofdstuk van M. McLuhan's Mens en media wiens inzichten in dit artikel

worden uitgewerkt.

[2] M. McLuhan, Mens en media, p.90

[3] P. Ricoeur, Naming God, tekst 2 p.8

[4] M. McLuhan, p.91

[5] R. Sneller, God is oorlog, Derrida en het goddelijk geweld, p.154 in de bundel God in Frankrijk

[6] ibid., p.146

[7] McLuhan, p.92

[8] ibid., p.62

[9] ibid., p.8

[10] De ontwikkeling van de jazzmuziek in Amerika is wat dat betreft een hoopvol teken dat globalisering niet een

mondiaal assimilatieproces is.

[11]McLuhan, p.87 Mc Luhan haalt hier de Franse filosoof Henri Berson aan die beweert dat taal een menselijke

technologie is die de waarden van het collectieve onbewuste heeft aangetast en verminderd. Zonder taal, zo

meent Bergson, zou de menselijke intelligentie volkomen geïnvolveerd zijn in de objecten van haar aandacht.

[12] M. Van den Bossche en C Bremmers (red.) De actualiteit van Martin Heideggers ‘Zijn en tijd'. De zijnswijze

van het subject volgens Zijn en tijd; traditie en vernieuwing, p. 122

[13] McLuhan, p.69

Waardering 

Geplaatst door: Mario Hooijmans | 2007-10-25 13:44:00

Reacties

Reactie plaatsen

Leon Hoeneveld 25-10-2007

In het begin van het lezen van jouw tekst is toch wel één vraag acuut en dat is hoe een geschreven tekst een getrouwe weergave van de bezwaren van Plato kan weergeven. Dat het hier om een tekst gaat impliceert al dat we uiteindelijk op een andere conclusie uit *moeten* komen.

Je koppelt later het rationele oorzaak-gevolg denken, het denken in sequenties, aan de uitvinding van het schrift. Ik vind dat wel terecht. Maar wat ik niet begrijp is de suggestie dat het zou gaan om een probleem. Een probleem dat je al niet serieus neemt omdat je het via de tekst zelf benadert. Er is toch alleen maar een "mogelijkheid " bij gekomen, en aldus niets verloren? Dat de mogelijkheid door zijn eigen succes ook een aantal minder wenselijke gevolgen kan hebben, doet niets af aan het gegeven dat het een zeer bruikbare mogelijkheid is. Ik mis verder dan ook een analyse van de minder wenselijke gevolgen van een wereld zonder schrift. Mij wordt bijvoorbeeld niet duidelijk hoe een minder fonetisch schrift van bijvoorbeeld de Chinezen een betere verhouding tussen die mensen zou betekenen.

Dat het zou gaan om een aanspreken van meerdere zintuigen is een argument dat in de huidige cultuur van beeld en geluid media verloren gaat. Men hoeft niet te verwachten dat het schrift alles biedt. Er wordt veel aangeboden dat de zintuigen voedt. Het schrift is slechts een mogelijkheid met haar eigen dynamiek die naast alle andere mogelijkheden bestaat. De historie heeft misschien wel een moment van dominantie van het schriftelijke laten zien, maar dat is nu duidelijk voorbij aan het gaan. Ik zou dat nieuwe tijdsbeeld juist aan de orde willen stellen als een verschijnsel dat we niet vanzelfsprekend moeten accepteren. Het "lezen" is een vaardigheid die de mens tot grote hoogte kan brengen en het verloren gaan van die vaardigheid zou een groot verlies betekenen. Dat er echter verschillende manieren van lezen kunnen zijn, niet allemaal zo rechtlijnig van A naar B, maar zoals Deleuze met Mille Plateaux voorstond, "hoppend", of misschien meerdere boeken door elkaar, moet de vaardigheid van de mens uitbreiden.

Ik kan de bezwaren van Plato niet serieus nemen, en dus verder de lijn van kritiek ook niet volgen, omdat het bij de schrift (en ook bij de kunst) gaat om het uitbreiden van de vaardigheden van de mens. Dat is voor mij per definitie niet slecht. Ik zie niet in waarom de mens zich zou moeten beperken tot een bepaalde manier van werken, ook al biedt die manier van werken voordelen. Als de mens de specifieke voordelen nodig heeft dan zal hij vanzelf de manier vinden of hanteren. Het vinden van nieuwe voordelen, in nieuwe manieren van werken mag wat mij betreft niet belemmerd worden.

Mario Hooijmans 25-10-2007

De tekst was allereerst een opdracht om een kotre beschouwing t.a.v. de hermeneutiek en in het bijzonder de schrijvers Derrida en Ricoeur of Gadamer uit te werken.

Allereerst ging het mij om de vraag hoe Plato tot een dergelijke opvatting zou zijn gekomen en of dat vanuit een bepaald perspectief te begrijpen en zelfs te verdedigen is. Ik denk dat dat nog steeds zo is, maar erken tegelijk dat het schrift ook mogelijkheden biedt zoals ik volgens mij met Ricoeur heb laten zien. Plato staat in elk geval aan het begin van deze ontwikkeling en tot op vandaag is de invloed, in elk geval van een bepaald soort eenzijdig platonisme, in onze samenleving werkzaam. Dat op zichzelf is m.i. reden om het schrift op een grondige wijze te problematiseren, zonder uit het oog te verliezen dat het ook veel te bieden heeft; kijk ik schrijf!
Toch gaat de kritiek van Plato m.i. heel diep.

De radicale scheiding van het visuele en de andere zintuigen heeft naar mijn idee de westerse mens in een radicaal dualistisch mensbeeld gevangen, een die een welhaast ontologisch-antropologische status heeft gekregen en daarom door het denken überhaupt als mogelijke vraag al beantwoord is. Hierdoor wordt de wereld op een fheel undamentele wijze eenzijdig benadert, en dat er een schrift is doet daar niet aan af want die is, zo zou je kunnen zeggen, geestelijk en tegelijkertijd visueel georiënteerd. De geest is geobsedeerd geraakt door visuele tekens in de ruimte. Daar zit dan ook precies de haast ongrijpbare paradox.
Bovendien teksten hebben een sociaal structurerende werking en vormen daarmee een abstracte macht, kijk bijv. naar de bijbel. Het probleem wat daar nog eens bij komt is dat de schrijver allang weg is en niemand meer weet of nog weet waar het over gaat. Ik denk dus dat de impact van het schrift enorm is en inderdaad geleid heeft tot de hele technologische wereld waar we thans in leven.
Dat de vele zintuigen aldus in onze moderne beeldcultuur aangesproken worden, zoals je zegt, kan daarom niet direct losgekoppeld worden van de cultureel-antropologische geschiedenis van de mens; de moderne mens die dan ook alleen maar overspoeld lijkt te worden met beelden, een 'versnippering' die oorspronkelijk reeds in gang is gezet door de ontbindende werking van het fonetisch schrift. Daarom zouden niet fonetisch gevormde culturen nog toegang hebben tot een in de zintuigen opgeslagen culturele kennis, terwijl in de westerse wereld alles continue vervliedt door een onrust, een losgeslagenheid van onze wortels.
Het positieve van wat McLuhan de ontwikkeling van de electrische samenleving noemt is dat het alle culturen 'doorlicht', en dat betekent dat 'oral traditions' die geen schriftgeschiedenis kennen, zich echter wel op heel andere wijze ontwikkeld hebben, samenvloeien met de schriftculturen. Daar zie ik een herintegratie van de zintuigen voor de moderene mens.

Dat het hier om een geschreven tekst gaat impliceert voor mij dus niet dat Plato daarmee te weerleggen is, maar veeleer dat Plato's kritiek veel fundamenteler is dan in een materiele tekst opgesteld kan worden. Het is dan ook de bedoeling zou ik zeggen om het denken te slijpen, om een zo transparant en flinterdun mogelijke tekst te schrijven, puur omdat het een medium is. Daarmee weliswaar ��n van de mogelijkheden van het menselijk bestaan om iets tot uitdrukking te brengen, maar uiteindelijk voor mij altijd op het 'grote mysterie' gericht de stilte de 'het gepraat' doet verstommen: die ervaring, daar zijn geen woorden voor.

siep grondman 14-01-2009

beste Mario,

Je geeft in dit artikel aan dat Plato een fundamenteel aspect van de zintuigen behandeld en benoemd heeft. Het artikel dat je geschreven hebt over het postulaat van Steiner kan aansluiten op dit thema van de zintuigen en mogelijk verdieping geven.

Het boekje van Albert Soesman, over de 12 zintuigen, karakteriseert de zintuigen zodanig dat je een levend beeld van de essentie van die zintuigen kunt krijgen. Dit beeld gekoppeld aan aan de relatie tussen denken en waarnemen van Steiner brengt je al gauw bij Plato. Dit werk van Steiner is helaas niet meer te verkrijgen, maar kan ik wel voor je kopieren als je dat zou willen.

verder is het boek van dr. Tomatis over het gehoor: 'het bewuste oor' mogelijk nog een interessante toevoeging voor je.

 

met dank voor je heldere schrijfstijl,

 

Siep Grondman

 

 

Reactie plaatsen

afdrukkenDeze pagina afdrukken

Deze site is auteursrechtelijk beschermd, op dit werk is de Naamsvermelding-NietCommercieel-GeenAfgeleideWerken 2.5 Nederland licentie van Creative Commonsvan toepassing, tenzij anders vermeld.

Overzicht van alle RSS/Atom feeds van De Webfilosofen. Privacy polices en cookie beleid voor deze website

Deze website is geproduceerd door Markei WEBDISGN.