on-line en on-demand denken
Laatst gewijzigd op: 01-08-2006
In de serie Wat is: Kunst, Filosofie, Geluk, Waarheid, de Mens, Zijnen Tijd
Een vraag die een ieder zichzelf ooit zal stellen. De ontologische vraag. Je ziet die vraag door de geschiedenis van de filosofie heen terug komen. Nooit is ze zo afdoende beantwoord dat niet de volgende generatie haar weer verder voert.
Ik zal hier een aantal analyses loslaten op de vraag en daarmee proberen een soort totaalbeeld te scheppen. Het uiteindelijke antwoord kan slechts een persoonlijk antwoord zijn, maar dan is wel duidelijk welke alternatieven er zoal zijn. Verwacht geen eenduidig antwoord op de vraag. Zoveel zielen, zoveel meningen. Zie de alternatieven vooral als gedachten-experimenten. U hoeft het niet eens te zijn met de invulling die ik er aan geef. Het gaat mij om het laten zien van diversiteit bij beantwoorden van vragen.
Met behulp van de denkgereedschappen uit het boek van Paul Wouters is een poging gedaan tot een overzicht. Dit betekent dat een aantal vaste stappen tot behandeling van de vraag zijn gevolgd en de conclusies zijn dan zonder verdere reflectie weergegeven. Slechts in de door mij als laatste toegevoegde methode komen alle conclusies bij elkaar en wordt een persoonlijke afweging gemaakt.
De verschijnselen van het zijn zijn legio. Als het tastbare, aanwezige, materiële. De dingen zijn dan breekbaar, kwetsbaar, hard, zacht. De dingen hebben eigenschappen, vormen objecten. De dingen kunnen zelfs onderwerp zijn in dromen waar het zijn verder het meest afwezig lijkt.
Als het dan gaat om dingen dan komen die dingen overeen in hun veranderlijkheid. Of dat nu door verval of groei is. Als we het dan echter hebben over het zijnde dan bedoelen we het blijvende.
Het wezen van de zaak is dus dat wat ontstaat en vergaat en tussendoor blijft.
Hierbij blijkt de functie van de tijd van belang. Zonder tijd is er geen zijn. Het blijven is een functie van de tijd.
De noodzakelijke voorwaarden voor een behandeling van de vraag is dat we de veronderstellingen goed in de gaten hebben. We gaan er in het voorgaande van uit dat het wezenlijke onder woorden te brengen is. We gaan er vanuit dat we de cirkelredenering van het zijn dat is kunnen oplossen. En we gaan er vanuit dat er iets te zeggen is.
Cruciaal hierbij is dat we dus bij de behandeling van de vraag tot een (taalkundige) uiting willen komen. We kunnen dit streven niet los zien van de vraag. In het streven gaat het om een taalkundige uiting. We kunnen "zijn" dan ook alleen als taalkundige uiting behandelen.
Natuurlijk zijn er concepten die voor ons allemaal geldig zijn. Dit zijn de a-priori verstandsbegrippen als tijd en ruimte en het idee van causale verbanden.
Binnen de taal verbindt het taalbegrip "zijn" ons met die verstandsbegrippen.
De beweging van het zijn, we zagen het al bij het eerste punt, is verbonden met de tijd. Maar wat "is" tijd? We weten dat chronologisch eerst het verleden komt, dan het heden en dan de toekomst. Zijn gaat van verleden naar toekomst. Wat gisteren nog toekomst was is morgen verleden.
Welke uitgangsthese zou je kunnen nemen om de dialectische regels van Hegel op toe te kunnen passen? Ik heb een willekeurig uitgangspunt gekozen. Men zal misschien zelf een andere neiging hebben, maar laten we zien hoever we er mee komen.
Het heden is het front van het verleden. Het verleden wordt steeds meer. De these is: "zijn" is uitdijing (van het verleden).
De antithese geeft dan een beeld van een zijn dat gericht is op een punt, een doel, een teleologische toekomst.
We hebben nu verschillende beelden om hieruit een synthese te maken.
Als we kijken naar de ervaringen met het "zijn" zijn er vele woorden. Er is zindering, spanning, kou, warmte, ongemak en lijden, maar ook geluk en genieten. Er zijn verwonderingen en enthousiasme, maar ook angsten en verdriet.
Vanuit de zintuigen proef je vele smaken, hoor je vele geluiden en zie je vele vormen en kleuren. Je voelt vele temperaturen.
Algemeen in het bijzondere van al die ervaringen is de afwisseling van sensaties en emoties.
We zouden echter geen enkele van die sensaties en emoties kunnen ervaren zonder bewustzijn. Het zijnde van al die ervaringen is in het bewustzijn.
De bovenliggende vraag is typisch een vraag die iemand zichzelf stelt. Toch zijn er ook andere taalspelen mogelijk waarbinnen de vraag gesteld wordt.
Een empirist kan de vraag naar het zijn aan een rationalist stellen. gegarandeerd een verhitte discussie. Ook een gelovige kan aan een agnost of atheïst de vraag stellen. Of een kind aan een volwassene. Steeds zullen de uitgangspunten anders zijn.
Ik geef hier een opsomming van taalhandelingen die mogelijk zijn:
Een adequate respons in een betreffende taalhandeling moet dan te vinden zijn. In dit geval was er een vraag van iemand aan zichzelf. ik vind dan een adequaat antwoord: ‘zijn is fijn!". Men geeft dan een positieve respons aan zichzelf.
Een hermeneutische methode gaat kijken naar mogelijke verhalen. Ik vond een verhaal over de boeddha wel toepasselijk. De boeddha schijnt gezegd te hebben dat we eindeloos kunnen discussiëren over wat er is (het zijn) en dat je daar niet uitkomt, maar dat we het beter kunnen praten over "hoe" iets is.
Het verhaal van de boeddha gaat over het lijden. De mens zit gevangen in een lijden. Van de verschillende verhaalvormen: komedie; romance; tragedie en ironie lijkt dit het meeste op een tragedie. Toch is de strekking van de tragedies steeds dat er wel zoiets als inzicht of begrip mogelijk moet zijn.
Misschien slaat de tragedie dan om in een komedie, waarin we door voortdurend onbegrip in allerlei doldwaze situaties terecht komen. Maar tot die tijd blijft zijn dan een lijden.
In de aan Derrida ontleende methode wordt gevraagd de veronderstellingen te ontkennen. Je zou dan kunnen zeggen dat het zijn er helemaal niet kan zijn omdat uit niets niet iets kan ontstaan.
In de methode wordt ook gevraagd de vraag in vreemde contexten te plaatsen. Zo betekent de vraag heel wat anders als een artificial intelligence de vraag aan zijn maker stelt, of een mens aan God. Ook kan een figuur uit een droom de vraag aan jou droomwezen stellen. Of een elfje kan de vraag aan een kabouter stellen...
Je kunt ook de details uitvergroten. Het "is" in een zin is een soort bevestiging, een aanwijzen. Een zelfbevestiging waarmee je concepten vastlegt. Buiten de taal, dat zagen we al eerder, is er niets.
En je kunt het beeld omdraaien. Als iets wordt, dan is het, maar als iets is, wordt het dan ook?
De vraag is of we nu een geschikte herformulering kunnen vinden uit al deze bewerkingen. Vooral bij het laatste punt kan ik me een goede herformulering voorstellen: Wat wordt zijn?
Het blijkt nu dat het zijn niet iets is dat is, maar iets is dat mogelijkheden heeft. Het dualisme van zijn en niet-zijn kan je vermijden door te kijken naar mogelijkheden. Vandaar de conclusie dat mogelijkheden zijn.
In de door mij ontwikkelde methode ontleend aan het denken van Dewey en het pragmatisme ga je eerst kijken voor welk probleem de vraag een oplossing moet zijn.
Het zou belangrijk kunnen zijn om te weten wat we hebben en wat we kunnen krijgen. Het probleem is dat we dat nu niet goed weten.
Sociaal gezien zou een oplossing voor het probleem betekenen dat we een wereldbeeld krijgen dat klopt, dat dus wetenschappelijk verantwoord is.
Nu is het zaak om een aantal verschillende oplossingen van "wetenschappelijke" wereldbeelden voor de vraag te bekijken en de consequenties hiervan te bezien. Ik kies bij opzet wat extreem.
Nu kunnen we na gaan denken over de reacties:
Uit de drie voorbeelden blijkt wel dat welk uitgangspunt je ook kiest voor een beantwoording van de vraag, dat het antwoord nooit universeel is. Het zijn blijft dan een keuze waar je zelf invulling aan geeft.
In de door mij ontwikkelde methode die ik omschrijf als de gevolg-methode ga je in de eerste stap na wat het gevolg is van een antwoord op de vraag.
Het gevolg zou dan kunnen zijn dat een denksysteem vast ligt. We houden ons dan niet meer bezig met onbelangrijke vragen, of juist wel (vrijheid van tijdsbesteding).
De vraag kan dan geherformuleerd worden: Welk denksysteem geeft ons de meeste vrijheid?
Wat zouden nu oorzaken kunnen zijn die naar het doel toewerken, in dit geval die vrijheid? Je hebt ruw weg twee opties:
Kunnen we nu antwoord geven op de geherformuleerde vraag? Misschien is het mijn persoonlijke voorkeur, maar ik heb toch het idee dat je door kennis af te wijzen niet verder komt. Een mens zonder kennis kan het niet overleven. We moeten dus een denksysteem vinden dat ons garandeert van steeds meer kennis. In feite een denksysteem dat dus geen antwoord heeft maar een open vraag biedt.
Nu kunnen we weer naar de oorspronkelijke vraag kijken. Een mogelijk antwoord op het zijn is dan dat het zijn bepaald wordt door de (open) vraag naar vrijheid.
Analoog aan Heidegger kunnen we zien wat voor waarheid dit is, een lichtende of een verbergende. In dit geval zou ik zeggen een lichtende waarheid. Het idee zijn als bepaald door de vraag naar vrijheid (zijn als vrijheid) laat zien in welke context men de vraag naar zijn over het algemeen kan plaatsen.
Ook als we de geherformuleerde vraag aan dezelfde methode onderwerpen blijft het aspect vrijheid naar voren komen. Een alternatieve waarheid die naar voren gekomen is, is dat kennis van belang is voor vrijheid.
Voor de conclusie hanteer ik de verschil-methode. De eerst vraag in de verschil methode is hoe de vraag wat is zijn kan verschillen. In dit geval dus in de verschillende antwoorden. De antwoorden zijn:
Nu kunnen we ons afvragen welk antwoord we zelf zouden willen geven. Ik ben geneigd er het volgende van te maken:
Blijvend in taal is beweging en daar het bewustzijn van. Dat is fijn inzicht in lijden en daardoor een mogelijkheid tot persoonlijke keuze in vrijheid.
De voorgaande zin bevat alle kernwoorden uit de verschillende antwoorden. En het is duidelijk dat daarmee een soort existentieel beeld ontstaat. En misschien is het wel dat waar het bij "zijn" om gaat, om de existentie.
De volgende vraag in de verschil-methode is hoe ik met dit antwoord verschil van anderen. Het is duidelijk dat ik geen keuze wil maken, misschien dat anderen dit makkelijk wel doen?
Mijn antwoord heeft zin voor filosofen en dichters. Ze kunnen dan de begrippen overnemen en daarop doorgaan.
Moet ik dit verschil met anderen nu handhaven of oplossen? Ik denk dat ik het verschil moet oplossen, al is het maar om de onderlinge verbanden telkens weer in gedachten te nemen en me er bewust van te zijn en er over te discussiëren.
Laten we ook niet vergeten wat Gadamer over methoden schrijft in "Wahrheit und Methode": "Wat de instrumenten van de methode niet bewerkstelligen, moet en kan werkelijk tot stand worden gebracht door een discipline van vragen en vorsen die borg staat voor waarheid."
Geplaatst door: Leon Hoeneveld | 2006-08-01 00:01:00
Deze site is auteursrechtelijk beschermd, op dit werk is de Naamsvermelding-NietCommercieel-GeenAfgeleideWerken 2.5 Nederland licentie van Creative Commonsvan toepassing, tenzij anders vermeld.
Overzicht van alle RSS/Atom feeds van De Webfilosofen. Privacy polices en cookie beleid voor deze website
Deze website is geproduceerd door Markei WEBDISGN.